Nieuwe pagina: bestuurseenheid.zittingen.zitting.uittreksels.detail.raw

Vlaanderen

publicatie.gelinkt-notuleren.vlaanderen.be Naar de hoofdinhoud

Type document
Uittreksel document

Openbare behandeling van agendapunt

16.  16. Financiën – belastingreglement op het ontbreken van parkeerplaatsen voor de aanslagjaren 2026-2031

Aanwezigen bij agendapunt

Aanwezige leden

  • Staf Braspenning (Gemeenteraadslid)
  • Ann Brosens (Gemeenteraadslid)
  • Mark Bruurs (Gemeenteraadslid)
  • Philip Loots (Gemeenteraadslid)
  • Claudia Manders (Gemeenteraadslid)
  • Bart Mertens (Gemeenteraadslid)
  • Jeroen Raeijmaekers (Gemeenteraadslid)
  • Anja Van Gils (Gemeenteraadslid)
  • Leo Van Tilburg (Gemeenteraadslid)
  • Jef Van de Perre (Gemeenteraadslid)
  • Remco van Tilburg (Gemeenteraadslid)

Stemmingen bij agendapunt

De leden van de raad stemmen openbaar

over het voorstel van besluit

Aanwezigen tijdens de stemming

  • Staf Braspenning
  • Ann Brosens
  • Mark Bruurs
  • Philip Loots
  • Claudia Manders
  • Bart Mertens
  • Jeroen Raeijmaekers
  • Jef Van de Perre
  • Anja Van Gils
  • Remco van Tilburg
  • Leo Van Tilburg

Effectieve stemmers

  • Staf Braspenning
  • Ann Brosens
  • Mark Bruurs
  • Philip Loots
  • Claudia Manders
  • Bart Mertens
  • Jeroen Raeijmaekers
  • Jef Van de Perre
  • Anja Van Gils
  • Remco van Tilburg
  • Leo Van Tilburg

goedgekeurd, met eenparigheid van stemmen

16. Financiën – belastingreglement op het ontbreken van parkeerplaatsen voor de aanslagjaren 2026-2031

Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, inzonderheid artikel 40, §3;

Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;

Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, inzonderheid art. 2.3.2,§2 en 4.2.20,§1;

Overwegende dat dit reglement ertoe strekt het parkeren buiten de openbare weg te regelen door de eis te stellen om in bouwplannen in een voldoende aantal parkeerplaatsen te voorzien;

Overwegende dat dit reglement bijdraagt om de vraagstukken van stationeren en parkeren op te lossen, inzonderheid in de toeristische gemeente Baarle-Hertog;

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

Besluit

Artikel 1.

Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op:

  1. het niet aanleggen van één of meer van de in dit reglement bepaalde parkeerplaatsen bij het bouwen, verbouwen of wijzigen van bestemming van gebouwen;

  2. het wijzigen van de bestemming van één of meer parkeerplaatsen zodanig dat niet wordt voldaan aan dit reglement;

  3. het wijzigen van een schriftelijke overeenkomst waarvan sprake in artikel 3.C a, zodanig dat niet wordt voldaan aan dit reglement.

Art. 2.

De belasting is verschuldigd door de houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. De belasting is verhaalbaar op de rechtsopvolgers te algemenen en te bijzonderen titel van de houder van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Bij het ontbreken van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is de belasting verschuldigd door de eigenaar.

Art. 3.

Artikel 3.A.

  1. Onder parkeerplaats wordt verstaan, hetzij een gesloten garage (ook “box” genaamd), hetzij een standplaats in een gesloten ruimte of in open lucht, buiten het openbaar domein speciaal aangelegd en uitgerust voor het parkeren van autovoertuigen en als dusdanig door het college van burgemeester en schepenen aanvaard.

  2. Een parkeerplaats moet voldoen aan de volgende minimale afmetingen:
    – een gesloten garage (of “box”): 5,00 m x 2,75 m x 1,80 m hoogte;
    – een standplaats in een gesloten ruimte: 5,0 m x 2,75 m x 1,80 m hoogte;
    – een standplaats in open lucht: 5,50 m x 2,50 m.

 Artikel 3.B.

  1. Elke parkeerplaats moet afzonderlijk bereikbaar zijn langs een toegangsweg;

  2. Voor een parkeerplaats in afgesloten ruimte moet deze toegangsweg de volgende minimale breedte hebben:
    – 7 m breedte , als de standplaats een hoek van 90° vormt met die weg;
    – 6 m breedte, als de standplaats een hoek  van 60° vormt met die weg;

    – 4,80 m, als de standplaats een hoek van 45° vormt met die weg;

    – 4,20 m, als de standplaats een hoek van 30° vormt met die weg;

  3. Voor een parkeerplaats in open lucht moet deze toegangsweg de volgende minimale breedte hebben:
    – 6 m breedte, als de standplaats een hoek van 90° vormt met die weg;
    – 5 m breedte, als de standplaats een hoek van 60° vormt met die weg;
    – 4 m breedte, als de standplaats een hoek van 45° vormt met die weg;
    – 3,50 m breedte, als de standplaats een hoek van 30° vormt met die weg.

 Artikel 3.C.

  1. Indien het niet mogelijk of niet wenselijk is de vereiste parkeerruimte geheel of gedeeltelijk op het bouwperceel te voorzien, kan door het college van burgemeester en schepenen vergunning verleend worden om de parkeerruimte binnen een bouwstrook aan te leggen op een perceel of te voorzien in een gebouw dat gelegen is of zich bevindt in een straal van 400 m, gemeten van de grenzen van het bouwperceel af, en waarover de aanvrager de beschikking heeft ingevolge ofwel een eigendomsakte ofwel een schriftelijke overeenkomst, waarvan het model door het college van burgemeester en schepenen is vast te stellen. Deze akte en/of overeenkomst dient (dienen) als bewijskrachtig(e) bescheid(en) bij de omgevingsvergunningaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen gevoegd te worden, wil het aanvraagdossier als volledig beschouwd worden; zij dient (dienen) eveneens eender wanneer op verzoek van de overheid voorgelegd te worden.

  2. Bij afzonderlijke ingeplante hoogbouw of bij andere omvangrijke gebouwen kan worden toegelaten de parkeerplaats ondergronds te voorzien in groenstroken andere dan voortuinen, voor zover:
    – geen reliëfwijziging wordt verricht in een strook van 3 m langs de perceelgrenzen;
    – de afritten naar de parkeerplaats niet in een bouwvrije voor- of zijtuinstrook worden aangelegd;
    – het dak van de garage plat is, niet meer dan één meter boven het maaiveld uitsteekt en bedekt is met een laag teelaarde van 30 cm dikte die bekleed is met graszoden en/of beplant met bloemen en heesters;
    – de buitenmuren die boven de grond uitsteken worden door de plantengroei verborgen;
    – de helling van de afritten over een afstand van 5 m gemeten vanaf de rooilijn, niet meer dan 4 pct bedraagt.

 Artikel 3.D

Voor de toepassing van onderhavig voorschrift dient ermee rekening te worden gehouden dat een parkeerplaats slechts in aanmerking kan worden genomen voor zover zij nog niet werd geteld als parkeerplaats voor een ander gebouw. Daarenboven moet het eventuele gebouw, waarin de parkeerruimte wordt voorzien, opgericht zijn overeenkomstig een stedenbouwkundige vergunning en omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen die na 11 november 1964 zijn afgegeven. Gebouwen, die werden opgericht overeenkomstig een stedenbouwkundige vergunning die afgegeven werd voor de voormelde datum, kunnen evenwel in aanmerking worden genomen, indien hun oorspronkelijke bestemming na die datum in garagebestemming werd gewijzigd. De nodige bewijsstukken hieromtrent moeten door de aanvrager worden bijgevoegd.

Art. 4.

De belasting is vastgesteld op 12.500,00 euro per ontbrekende parkeerplaats.

Art. 5.

Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen wordt als volgt bepaald:

A. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Naast de eerste kolom die de aard of de bestemming van het goed opgeeft, wordt in de tweede kolom opgelegd wat het aantal parkeerplaatsen is dat vereist is per eenheid die in de derde kolom bepaald is.

sociale woningen (groepsbouw)

1

1 woning – aanleg 60 %

woongebouw

1,5

1 woning

vergroting van bestaande vloeroppervlakte met 50 % of meer

1

1 woning

bedrijfsgarage

garage (werkplaats)

kantoor

(commerciële) dienstverlening zoals bank, immokantoor, reisbureau, kapsalon 

consultatie- en praktijkruimte

1

per begonnen 50 m2 vloeropp.

café, eetgelegenheid, restaurant

1

per begonnen 25 m² vloeropp.

distributiecentrum

hypermarkt

winkel

superette

supermarkt

1

per begonnen 25 mvloeropp.

ambachtelijk gebouw

fabriek

industriegebouw

kleinnijverheid

nijverheidsgebouw

remise voor voertuigen openbaar vervoer

1

per begonnen 100 m2  vloeropp.

woonzorgcentrum, bejaardentehuis, assistentiewoningen, zorgwoningen

1,5

3 woningen

hotel / B&B / motel

1

1 kamer

kleuterschool

1

1 klas

lagere school

1

1 klas

middelbare school

1,2

1 klas

hoger onderwijs

1,5

1 klas

buitengewoon onderwijs

1,5

1 klas

B. OPMERKINGEN
  1. De vloeroppervlakte wordt, per bouwlaag, buitenwerks gemeten tussen de onbeklede buitenwanden van de gevelmuren van alle ruimten die kunnen worden afgesloten, zonder rekening te houden met de onderbrekingen door afscheidingsmuren of verticale dienstwegen. De vloeren van de lokalen die zich beneden het terreinniveau bevinden worden evenwel niet meegerekend. Wat de vloeren onder het dak betreft worden alleen het gedeelte met een binnenwerks gemeten vrije hoogte van tenminste 2,20 m meegerekend.

  2. Indien door verbouwingswerken bijkomende woningen ontstaan, gelden dezelfde regels als voor nieuwbouw. Indien geen bijkomende woningen ontstaan, moet 1 parkeerplaats voorzien worden voor elke woning waarvan de bestaande vloeroppervlakte met ten minste 50% wordt vergroot. Deze laatste regel vervalt indien de woning reeds een parkeerplaats had voor de verbouwing.

  3. Voor complexen van sociale woningen gebouwd door intercommunale verenigingen, door maatschappijen erkend door de Vlaamse huisvestingsmaatschappij en voor woningen gebouwd overeenkomstig de door de gewestelijke overheid opgelegde voorwaarden met het oog op het toekennen van premies voor verbouwing of aanpassing van sociale woningen of tussenkomst in de rentelast bij de bouw van sociale woningen door privaat initiatief, volstaat dat 60% van het aantal parkeerplaatsen effectief worden aangelegd. Bij het bouwen van bijkomende sociale woningen gelden dan weer de normale normen van alle woongebouwen. Bij gebouwencomplexen voor bejaarden gebouwd door intercommunale verenigingen, OCMW’s en/of maatschappijen erkend door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, volstaat één parkeerplaats per drie woningen.

  4. De vloeroppervlakte van de kantoren, studies, kabinetten, wachtkamers, enz. die deel uitmaken van een woning die gedeeltelijk bestemd is voor de uitoefening van een vrij beroep wordt  geteld in oppervlakte van de woning waartoe zij behoren; zij wordt derhalve niet als kantooroppervlakte beschouwd.

  5. Op verzoek van de aanvrager kan, bij industriële of ambachtelijke gebouwen, de berekening van de vereiste parkeerruimte gebeuren naar rato van 1 parkeerplaats per 10 tewerkgestelde personen. Wanneer een nieuw gebouw wordt opgericht en per 10 supplementair tewerkgestelde personen wanneer een bestaande inrichting wordt verbouwd.

Art. 6.

In het geval van artikel 1, a. is de belasting verschuldigd 1 jaar nadat het hoofdgebouw onder dak staat, de ruwbouw van de verbouwingswerken beëindigd is of het gebouw, eventueel gedeeltelijk bewoond, gebruikt of van bestemming is gewijzigd.

Art. 7.

De belastingplichtige doet aangifte bij het gemeentebestuur van het aantal ontbrekende parkeerplaatsen. De belastingplichtige moet op het eerste verzoek van het gemeentebestuur en in elk geval vóór de afgifte van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen een bedrag gelijk aan de vermoedelijke belasting bij het gemeentebestuur in bewaring geven tegen afgifte van een ontvangstbewijs. Het vermoedelijke bedrag wordt berekend op basis van aangiftegegevens of indien er een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is ingediend aan de hand van de plannen en schriftelijke overeenkomsten zoals bedoeld in artikel 3.C. a. die bij de omgevingsvergunningsaanvraag worden gevoegd.

Art. 8.

De belasting bedoeld in onderhavig reglement is contant eisbaar op de dag van de betekening van het proces-verbaal tot vaststelling van het ontbreken van de aanleg of de wijziging van de bestemming opgemaakt door de daartoe aangestelde ambtenaar van het gemeentebestuur. Alsdan zal het in bewaring gegeven bedrag van ambtswege als een verworven contante belasting worden geboekt en t.o.v. de belastingplichtige met een kwitantie worden bevestigd.

Art. 9.

Bij gebrek aan contantbetaling of ingeval deze niet gelijk is aan de reële belastingschuld, berekend op basis van de gegevens waarover het gemeentebestuur nadien beschikt, zal van ambtswege worden overgegaan tot inkohiering, respectievelijk terugbetaling van het verschil.

Art. 10.

De vestiging en invordering van de belastingen en ook de behandeling van geschillen gebeuren volgens de modaliteiten vervat in het decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen dd. 30 mei 2008.

Art. 11.

Dit reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikels 286 en 287 van het decreet over het lokaal bestuur, en de toezichthoudende overheid wordt hiervan op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur.